vrijdag 23 februari 2018

21st century skills (2) - Creatief denken

In december schreef ik over 21st century skills, de vaardigheden die kinderen op school zouden moeten leren voor een succesvolle toekomst. Ik zie goede mogelijkheden voor het inzetten van verhalen en vertellen bij het aanleren van die vaardigheden. In bovengenoemd blogartikel gaf ik als voorbeeld hoe het analyseren van verhalen kan helpen bij computational thinking. Deze keer geef ik praktische voorbeelden voor het bevorderen van creatief denken.


Creatief denken
Het SLO (instituut voor Leerplan Ontwikkeling) definieert in haar curriculum voor 21e eeuwse vaardigheden creatief denken en handelen als 'het vermogen om nieuwe en/of ongebruikelijke maar toepasbare ideeën voor bestaande vraagstukken te vinden.' Daarbij hoort een aantal deelvaardigheden, waarvan ik de eerste drie noem:
  • het kennen en hanteren van creatieve technieken
  • het denken buiten gebaande paden
  • nieuwe samenhangen kunnen zien
Verhalen verzinnen
Ik noem juist deze drie, omdat dit vaardigheden zijn die je goed kunt oefenen in een context met verhalen. Ik denk dan niet aan het verzinnen van een verhaal in de vorm van een opstel, maar aan speelse werkvormen, die je gemakkelijk tussendoor kunt doen. Door vooral váák te improviseren en te associëren maken je hersenen nieuwe verbindingen aan, die je helpen om ook in 'serieuze' situaties wendbaar en out of the box te denken.

Associëren
Iets nieuws verzinnen begint met de vrijheid om je gedachten hun gang te laten gaan en niet gelijk te oordelen of iets 'fout is' of 'niet kan'. De kans is bijvoorbeeld groot dat je bij het woord 'gras' meteen aan 'groen' denkt. Maar voor een boeiend verhaal is het misschien wel veel spannender als je aan 'blauw' denkt of aan iets compleet anders, dat er helemaal geen verband mee lijkt te hebben, zoals 'zout'. Nieuwe combinaties brengen je bij originele oplossingen. Dit kun je trainen door eenvoudige associatie-spelletjes.
  • Woordenrij. Je staat of zit in een kring. Iemand begint en zegt een willekeurig woord tegen zijn buurman. Die zegt het eerste woord dat in hem opkomt tegen de volgende persoon in de kring en zo verder. Benadruk dat de woorden niets met elkaar te maken hoeven hebben. Fout bestaat niet. Een hoog tempo is belangrijk. Varianten: geef de beurt door aan iemand die niet naast je staat (eerst contact maken!) of werk in tweetallen en zeg om en om een woord.
  • Het magische blokje. Geef een klein voorwerp door in de kring, zoals een blokje of balletje en beschrijf het met één woord, bijvoorbeeld: "een geel blokje", "een vierkant blokje", "een houten blokje". Ieder woord mag maar één keer aan de beurt komen. Al snel zijn de meest voor de hand liggende woorden op! Nieuwe woorden hoeven niet waar te zijn (bijvoorbeeld "een ijzeren blokje" terwijl het van hout is). Uitbreiding: beeld ook uit wat je zegt: "een zwaar blokje" of een "stinkend blokje" geef je heel anders door.
Dit soort oefeningen zijn ook prima te gebruiken als warming up voor een langere les, waarin verzonnen of geïmproviseerd wordt.

Improviseren
Zijn je hersenen warm gedraaid? Dan wordt het tijd om met een combinatie van willekeurige woorden een samenhangend verhaal te verzinnen. Dat kun je individueel doen of in een (kleine) groep. Er zijn allerlei hulpmiddelen met plaatjes die je daarbij kunt gebruiken. Ik beschrijf drie spelvormen, maar er zijn allerlei varianten op te bedenken.
  • Storycubes. Werp de dobbelstenen. De eerste verteller begint zijn verhaal met de afbeelding van een van de geworpen dobbelstenen. Als hij niet verder weet, krijgt de volgende de beurt. Die verwerkt de afbeelding van een andere dobbelsteen in het vervolg van het verhaal. Zo ga je verder tot alle stenen aan de beurt geweest zijn en/of het verhaal is afgelopen.
  • Saga-kaarten of zelfgemaakte kaarten met plaatjes uit tijdschriften. Neem drie tot vijf kaarten en verzin een verhaal waarin alle afbeeldingen voorkomen.
  • Vertelstenen. Zoek mooie gladde kiezelstenen en schilder met acrylverf en een dun kwastje op iedere steen een voorwerp of personage (kabouter, heks, jongen, meisje). Doe de stenen in een zakje of mandje. Pak een steen en vertel een verhaal bij het plaatje. De beurt wisselt als iemand niet verder kan of na een afgesproken tijd (zandloper!) Dan grabbelt de volgende een steen en vertelt verder.
Variëren
Geïmproviseerde verhalen zijn zelden mooie, goed opgebouwde verhalen. Het gaat om het plezier en de vindingrijkheid, niet om kwaliteit. Je kunt op een meer gestructureerde manier verhalen verzinnen door te variëren op bekende verhalen. Verander de plek of tijd waar het zich afspeelt, geef de hoofdpersoon andere eigenschappen, verzin een vervolg. Een paar voorbeelden bij sprookjes van Grimm:
  • Wat als de grootmoeder van Roodkapje niet in het bos, maar midden in de stad woont?
  • Wat als Sneeuwwitje geen zin heeft om voor de dwergen het huishouden te doen? (Daar heb ik de voorstelling Sneeuwwitje en de Kikkerprins over gemaakt 😉 )
  • Welke andere dieren kunnen Bremer Stadsmuzikant worden?
  • Hadden Doornroosje en haar prins een gelukkig huwelijk?
Praat hardop
Dit geldt voor al bovenstaande ideeën. Denk hardop. Als je praat, blijven de woorden meestal wel komen. Soms is het onzin, maar dat geeft niet. Probeer spreekstilte te voorkomen. Als een kind niet verderkomt, stimuleer je om details toe te voegen aan wat al verteld is. Wat kun je horen/ruiken/zien? Misschien komt hij/zij zo op nieuwe ideeën.

Doe het samen
Reacties van anderen leveren vaak ook nieuwe ideeën op. Dus wees soepel met de regels. Het hoeft niet muisstil te zijn. Een uitroep van de een kan bij de ander een mooie associatie oproepen. Spreek wel duidelijk af dat alles kan in een verhaal en dat je elkaar dus niet uitlacht. Niets is fout, ook al is het heel raar. De improviserende verteller is kwetsbaar, want weet zelf ook niet waar zijn gedachtenkronkels hem brengen. Als iedereen in de groep zich daarvan bewust wordt, werk je behalve aan creativiteit ook aan een veilige groepssfeer.