dinsdag 24 februari 2015

Grimm voor de kleintjes

Afgelopen week was ik bezig met de bewerking van het sprookje "Van de visser en zijn vrouw" en gebruikte daarbij zoals meestal mijn 'dikke Grimm'. Dat is de volledige uitgave van Lemniscaat uit 1981: een dik in rood linnen gebonden boek, met een verantwoorde vertaling en opgeluisterd door gerenommeerde illustratoren.
Voorin het boek staat dat ik het kocht in 1990. Ik was toen net begonnen aan de pabo en liep stage in groep 1. Een sprookjesboek was onmisbaar voor een aankomend juf, vond ik. Maar ik herinner me ook dat het boek me erg tegenviel, want een voorleesboek was het niet, ondanks zijn prachtige uiterlijk. Maar een vertelboek is het wel...


"Doe de boom, die daar staat, maar open, dan zul je een bed vinden." (Grimm 123)

Geen voorleesboek, maar een vertelboek
Om voor te lezen heb ik later andere bundels ontdekt die veel geschikter zijn voor jonge kinderen (o.a. "Grootmoeder wat heb je grote oren..." van Jacques Vriens en "De Sprookjesverteller" van Thé Tjong Khing).  Was de Grimmbundel van Lemniscaat dan weggegooid geld? Nee, gelukkig niet. Hij is namelijk wel geschikt als bron voor verhalen om te vertellen.

Sprookjes zijn om te vertellen
Volkssprookjes, zoals die van Grimm, zijn vertelmateriaal bij uitstek. Dat is immers hun oorsprong: voordat de twee broers ze vastlegden in hun boek, werden ze al generaties lang mondeling overgeleverd. De opbouw is meestal rechtlijnig. Er zijn geen flashbacks of vooruitblikken.  Regelmatig zijn delen van de tekst op rijm ("knibbel knabbel knuisje, wie knabbelt aan mijn huisje?") Dat alles maakt het gemakkelijk te onthouden voor de verteller. Als je de rode draad maar weet, verzin je de rest erbij.

Uit het hoofd voorlezen: niet doen!
Als je een sprookje uit een boek haalt, is het verleidelijk om ook de woorden uit het boek te gebruiken bij het vertellen. Ik herinner me nog goed een van mijn eerste vertellessen, waarbij de docent opmerkte dat hij me "in gedachten de bladzijde zag omslaan." Dat is dus niet de bedoeling. Je maakt het jezelf onnodig moeilijk als je het verhaal uit je hoofd leert. De kans is groot dat je stukken vergeet en boekentaal is geen spreektaal. Als verteller spreek je je publiek letterlijk directer aan dan een schrijver. Maar hoe pak je dat aan?

Vergeet de tekst
Lees het verhaal een keer of twee goed door en leg het boek daarna weg. Schrijf punt voor punt het verhaal op. Denk in beelden: zie het verhaal als een film in je hoofd voorbij trekken en noteer elke scène in steekwoorden. Of maak van elke scène een schets. Gebruik deze samenvatting en/of tekeningen om het verhaal in je eigen woorden na te vertellen. 

Terug naar het sprookjesboek
Deze methode werkt voor elk verhaal. Maar sommige verhalen zijn zo mooi geschreven, dat de verleiding groot is om de woordkeuze van de schrijver over te nemen. Een tekst met vrij moeilijk woordgebruik, zoals de sprookjesbundel waarmee dit stuk begon, kan dan juist een voordeel zijn: het dwingt je om je eigen woorden bij het verhaal te zoeken. Om dezelfde reden gebruik ik ook graag Engelse verhalen als uitgangspunt.

Grimm voor jonge kinderen
Tussen de tweehonderd titels in de bundel van Grimm zitten genoeg verhalen die leuk zijn voor jonge kinderen. Daar zijn klassiekers bij, die al ontelbare keren zijn uitgegeven als film of boek, maar ook minder bekende verhalen. Ik zocht een paar van die minder bekende verhalen op en heb ze hieronder voor je op een rijtje gezet (met links naar de tekst). Veel plezier ermee!