vrijdag 7 april 2017

Verhalen improviseren met Story Cubes

Story Cubes zijn dobbelstenen met daarop pictogrammen van voorwerpen. Je dobbelt en verzint vervolgens een verhaal waarin de afgebeelde voorwerpen voorkomen. Je kunt ze op veel manieren gebruiken, bijvoorbeeld bij stelopdrachten. Ik bedacht onderstaande klassikale werkvorm en gebruik hem regelmatig, tijdens workshops in mijn werk als verhalenverteller, maar ook in de klas als invaljuf. [Dit artikel schreef ik in maart voor onderwijsblog Klas van juf Linda]

Rory's StoryCubes basisset en 'enchanted' aanvulsetje

Hoe werkt het?

Vertel de kinderen dat je een verhaal gaat vertellen dat nog niet bestaat: je gaat het nu samen verzinnen! Laat  de dobbelstenen zien. Tijdens het verhaal mag er om de beurt iemand dobbelen. Het verhaal moet dan verder gaan over het plaatje bovenop de dobbelsteen. Als je aan een grote groep vertelt, is het handig om te melden dat niet iedereen aan de beurt komt.

Maak een beginnetje
Een verhaal gaat altijd over iemand: de hoofdpersoon. Stel een aantal vragen: hoe heet de hoofdpersoon, hoe oud is hij/zij, hoe ziet hij eruit, waar houdt hij van en waar heeft hij een hekel aan? Begin dan te vertellen. Gebruik de antwoorden van de kinderen, maar ook wat je verder spontaan bedenkt. Beschrijf de persoon en zijn gewoontes:
"Er was eens een jongetje van acht jaar. Hij heette Jurre. Hij was gek op gamen. Iedere dag speelde hij uren op zijn PlayStation."
Op een dag...
Verhalen worden spannend op het moment dat er iets anders gaat dan normaal. De hoofdpersoon komt iemand tegen of vindt iets. Of hij heeft een probleem, krijgt een opdracht of raadsel dat hij moet oplossen.
"Op een dag komt Jurre uit school en mag hij van zijn broer niet op de PlayStation. Hij had er net zo'n zin in.  Boos gaat Jurre naar zijn kamer. Daar staat een bak met een schildpad. Jurre pakt de schildpad en moppert op die stomme broer. Tot zijn verbazing geeft de schildpad antwoord. Hij praat!"

Als je het niet meer weet: dobbelen
Bovenstaand voorbeeld over Jurre is een verhaal dat ik verzon met groep 1/2.  Ik had Jurre geïntroduceerd en wist niet hoe het verder ging. Er moest iets gebeuren, maar wat? Dát is het moment voor een dobbelsteen. Eén van de kinderen dobbelde toen de schildpad. De pratende schildpad nodigt Jurre uit om  buiten op avontuur te gaan, en dat doet hij. Elke keer als ik niet wist hoe het verderging, liet ik een kind dobbelen. Zo kwam Jurre in een bos en vond hij een babyprinses, die hij met hulp van een fee terugbracht bij de koning en koningin.

Aan alles komt een eind
De ene keer volgen de gebeurtenissen elkaar logisch op, een andere keer wordt het een  en-toen-en-toen-verhaal. Als dat laatste gebeurt, verslapt de aandacht meestal na een keer of vier. Zorg dan voor een wonder waardoor het toch afgelopen is. In mijn verhaal was dat de fee die om klokslag twaalf tevoorschijn kwam en alles goed toverde. Een andere (wat flauwe) oplossing is wakker worden uit een droom.

Tips bij het improviseren
Een verhaal improviseren is niet moeilijk. In het begin is het wel spannend - zelfs voor mij als ervaren verteller -  maar deze tips helpen:
  • Bedenk niet meteen in het begin hoe het afloopt. Dat lukt  toch niet.  Improviseren is loslaten.
  • Gebruik het eerste dat in je opkomt. Alles kan. Onlogische dingen leiden tot de leukste afloop.
  • Heb je niet gelijk een idee, raak dan niet in paniek. Blijf praten: beschrijf wat er te zien, horen, ruiken, voelen is, en ineens schiet je iets te binnen!
  • Gebruik spontane reacties van de kinderen in je verhaal of vraag ze om hulp. Zij weten altijd wel iets.
Probeer het maar eens, in plaats van voorlezen, of als je tien minuten over hebt. Kinderen doen heel betrokken mee en zijn vol bewondering voor de juf die dat allemaal 'zomaar' verzint!