maandag 22 augustus 2011

Mijnwerkers, donder en bliksem, en fietsers.

Afgelopen weekend kwam ik tijdens een wandeling in het Limburgse Landgraaf bij de "Gedachteniskapel voor de mijnwerkers". Het kapelletje staat onderaan 's werelds grootste indoor-skibaan, aan de voet van de berg die ik als kind kende als "de mijnberg".

Toen ik er als vijfjarige kwam wonen, waren de Limburgse kolenmijnen al een aantal jaar gesloten, maar de overblijfselen waren nog goed zichtbaar.
Er was natuurlijk die enorme berg van onbruikbare brokstukken steenkool, die toen nog amper begroeid was. Op de berg heb ik nog gezocht naar fossielen van varens en paardenstaarten (de plant!) en als puber heb ik er mijn leven in de waagschaal gelegd tijdens een afdaling met de slee.
Er was ook een enorme schoorsteenpijp, die ik vanuit mijn slaapkamer net kon zien, en onderaan de berg de deur van de liftschacht met daarachter - als je groot genoeg was om door het venster te kijken - een mysterieuze duisternis.

Het is allemaal weg: de berg is beplant en omgetoverd in recreatiegebied, de schoorsteen is opgeblazen, de liftdeur onzichtbaar. Maar onder de huizen liggen nog steeds de donkere gangen van staatsmijn Wilhelmina. En in de gedachten van de bewoners liggen nog steeds de herinneringen aan de tijd dat de "koel" nog open was. Er wordt door de plaatselijke bevolking over het algemeen met weemoed teruggekeken naar die tijd. Natuurlijk was het werk zwaar en smerig, maar wat vooral in de herinnering is blijven hangen is het gevoel van saamhorigheid tussen de "koempels" (mijnwerkers): bij de levensgevaarlijke omstandigheden onder de grond moest je op elkaar kunnen vertrouwen. Waar zie je dat tegenwoordig nog zo?

De Limburgse mijnen zijn inmiddels ruim 40 jaar gesloten, maar de herinnering eraan is in de regio nog springlevend. Het genoemde kapelletje is pas in 2002 ingericht (nadat het eerst decennialang als transformatorhuisje had gediend) en uit het gastenboek blijkt dat het regelmatig wordt bezocht. Een paar keer per week wordt er in het boek geschreven: door een kleinkind dat zijn (over)grootvader komt herdenken, door koempels die hun kameraden missen, door familieleden van de 1100 mannen die zijn omgekomen bij het zoeken naar het zwarte goud.

De kapel is gewijd aan de heilige Barbara en in de kapel hangt een bord met het verhaal van deze heilige en ik "moest" dat natuurlijk lezen.
Barbara leefde in de derde eeuw in het huidige Turkije. Ze had zich tot groot ongenoegen van haar vader bekeerd tot het christendom en daarom liet hij haar opsluiten in een toren. De toren had twee ramen, maar Barbara liet er een derde bij maken, om zo de heilige drie-eenheid te gedenken. Dat maakte haar vader zo woedend, dat hij zijn eigen dochter met een zwaard onthoofdde. Dat bleef uiteraard niet ongestraft: niet lang daarna vond vader de dood toen hij door de bliksem werd getroffen.
Sinds de uitvinding van kunstmatige bliksem en donderslagen - het buskruit - is Barbara de beschermheilige van mensen die ermee werken. Dat is zo gebleven tot de tijd van de mijnwerkers in de 20e eeuw, die ook explosieven gebruikten bij hun werk.

Wat een verhaal. Nog namijmerend over ondergrondse donder en bliksem en een toren met drie ramen verliet ik de kapel om me weer bij mijn gezinsleden te voegen. Deze stonden me in de stralende zon al op te wachten en mijn oudste zoon keek me enigszins verontrust aan en vroeg of ik soms had gebeden, want ik was zo lang weggebleven. Nee hoor, mama had weer eens een verhaal gevonden. Maar voor ik dat kon toelichten was de aandacht alweer op iets anders gericht. Rakelings langs de kapel liep namelijk het parcours van een mountainbike-race en dat vindt een jongetje van zeven jaar een stuk interessanter.